Categorieën
RSS feeds

Kim (34) werkt in een modefabriek in Cambodja: ‘Fabrieken zijn niet de bad guys’

Kim van der Weerd (34) studeerde mensenrechten en emigreerde naar Cambodja om daar als manager in een modefabriek te werken. “Niemand wordt op een dag wakker met de gedachte: en nu ga ik de mensheid of onze planeet eens uitbuiten.”

Veel verhuizen

“Dat ik overal kan aarden, komt denk ik omdat ik dat als kind al leerde. Mijn vader werkte bij een multinational, en met ons gezin woonden we in Frankrijk, Korea, Singapore en Amerika. Dat vele verhuizen vond ik niet makkelijk: ik doorliep mijn middelbare schooltijd op drie high schools, in drie verschillende landen, op twee continenten. Geen enkele tiener wordt daar heel blij van. Ik haatte het dat ik elke keer opnieuw vrienden moest maken.

Het maakte ook dat ik, toen ik ouder werd, niet zo heel goed wist bij welke groep ik hoorde, van welke community ik deel uitmaakte. Júíst omdat zoveel plekken als mijn thuis hadden gevoeld. Nu ben ik daar dankbaar voor. Het is een ontzettende verrijking geweest.”

Politicologie studeren

“Ik studeerde politicologie in Minnesota, daarna mensenrechten in Londen. Hoe je mensen in grote productieketens beschermt tegen uitbuiting, wekte mijn interesse. Ik heb altijd van mode gehouden, maar hoe ouder ik werd en hoe meer ik me in mensenrechten en klimaatverandering verdiepte, hoe meer last ik kreeg van mijn geweten.

Bij elke cent die ik aan mode besteedde, voelde het alsof ik bijdroeg aan iets slechts, aan een wereldwijd economisch systeem dat schade aanrichtte. Ik wilde weten waarom dat systeem er was. Ik ben ervan overtuigd: niemand wordt op een dag wakker met de gedachte: en nu ga ik de mensheid of onze planeet eens uitbuiten. Niemand is zo slecht, maar tóch gebeurt het.”

Op naar Cambodja

“Mijn vriend en ik leerden elkaar kennen tijdens onze studie aan The Londen School of Economics and Political Science. We woonden samen in Londen en na mijn master ging ik aan de slag op het hoofdkwartier van een grote gezondheidszorgorganisatie. Het was voor mijn vriend en mij altijd duidelijk dat we niet per se in Engeland hoefden te blijven. We hadden het er goed, maar ook mijn vriend – zoon van Cambodjaanse ouders, opgegroeid in Canada en Frankrijk – staat in het leven met het idee: we zien wel waar we volgend jaar wonen.

Omdat we allebei toe waren aan iets nieuws, stonden we voor ons gevoel op een kruispunt: hier blijven of ergens anders heen? Hij wilde graag naar Cambodja: hoewel zijn roots daar liggen en een deel van zijn familie daar leeft, had hij er nooit gewoond. Ik voelde aan alles: als ik serieus ben met deze guy, wil ik ook de Cambodjaanse cultuur leren kennen. In 2015 gingen we, ik was toen 27.”

By choice

“Ik had er vertrouwen in: we maken er wel ons thuis van, dat lukt, hoe dan ook. We woonden in een appartementencomplex in Phnom Penh, de hoofdstad. Daar leven meer dan twee miljoen mensen. De stad lijkt in niets op een stad in Nederland. Het is er altijd druk, chaotisch. Het land is kleurrijk, de keuken heerlijk. Sociale voorzieningen en de gezondheidszorg laten er te wensen over. Ik heb me als witte, opgeleide, westerse vrouw enorm bevoorrecht gevoeld, al vanaf de eerste dag. Het maakte me nederig. Als ik bijvoorbeeld een arm zou breken, zou ik een probleem hebben. Maar ik kon elk moment weer vertrekken. Ik was in Cambodja, zoals ze dat in het Engels zeggen, by choice.

Mijn vriend vond snel een baan en ik had het geluk dat de organisatie waar ik in Londen voor werkte ook in Cambodja zat. Daar kon ik aan de slag en dat was een fijn begin in een land waar ik verder niemand kende. Maar ik zocht ondertussen naar een baan in de mode-productie. Simpelweg omdat dat een black box voor me was: wat gebeurde daar?

Ik werd aangenomen bij een Amerikaans modemerk, Tonlé, met een eigen zero-wastefabriek. Dat is vrij bijzonder. Wat veel mensen namelijk niet weten, is dat de grote modemerken hun producten – of het nou kleren zijn of schoenen of beha’s – vaak niet zelf produceren. Kledingmerken maken hun eigen kleding niet, dat laten ze door fabrieken doen. Maar Tonlé deed het allebei: zelf kleding produceren in hun fabriek en de kleding verkopen. Tonlé was bovendien een uitzondering met zijn zero waste-beleid, wat betekende dat er geen materialen werden verspild bij de kledingproductie. Sterker nog: ze gebruikten ook afgedankte materialen van andere, grotere fabrieken.

Lees ook
Bart (32): ‘Ik heb een vriendin, maar ik betaal andere vrouwen om ze te begluren’

Na twee jaar stapte ik over naar Pactics, een bedrijf dat brillendoekjes voor luxe modemerken en reisproducten produceert. Daar gaat het in zijn werk hoe het bijna altijd gaat: het merk is de klant, de fabriek krijgt de orders en moet draaien. En daar gaat het vaak mis.”

Tijdvretend geharrewar

“Ik kreeg de functie van fabrieksmanager en had ineens de leiding over honderd werknemers. Al snel merkte ik het grote verschil tussen een bedrijf als Tonlé en Pactics. Binnen Tonlé werd overlegd en werden compromissen gesloten. Als de salesafdeling iets wilde wat de mensen van productie hoofdpijn zou bezorgen – ingewikkeldere designs, meer kleuren, kleine details – kwamen we uiteindelijk tot een compromis. Er kwamen oplossingen die voor iedereen werkten.

Bij de brillendoekjes-fabrikant was het anders. Dat bedrijf was volledig afhankelijk van de klanten die orders plaatsten. Vooral met de grotere, duurdere en luxe merken viel geen gesprek te voeren. Ik heb het onder mijn neus zien gebeuren: ‘We willen dit doekje in het rood.’ Dus wij deden dat. ‘O, het is wel de goede kleur rood, maar de stof ontkleurt te snel.’ Dan legden wij uit: ‘We kunnen dat ontkleuren tegengaan, maar dan wordt de kleur rood wél anders.’ Én én kon praktisch gezien niet, maar daar wilde dat merk niets van horen.

De klant en de fabriek draaiden in cirkeltjes, als een hond die zijn staart achterna zat. Ze wilden iets voor een bepaalde prijs, wat niet lukte. Het was dan moeilijk oplossingen te vinden en dat frustreerde me. Vooral ook omdat die deadline dichterbij kwam: merken zullen niet zo snel zeggen: ‘Lever dan maar een paar weken later.’ Dat geharrewar vrat tijd, kostbare tijd. Dat zorgde voor stress, niet alleen bij de leiding, ook bij de mensen op de werkvloer. En verwarring. Huh, wéér een andere kleur rood? Hoeveel moeten we nu produceren? Gaan we de deadline wel halen? Je zag soms errors bij de mensen op de vloer.”

Vier muren

“Ondertussen probeerde ik het als manager goed te doen. Ik wilde én de order binnenhalen – er moest nou eenmaal geld binnenkomen – en ik wilde het goed doen voor mijn mensen. Algauw merkte ik dat ik alleen controle had over wat er tussen die vier muren gebeurde. Ik kon erop toezien dat mensen niet te lang werkten, want dat gebeurt veel in fabrieken, en dat mensen genoeg pauze hielden. Mijn collega’s en ik zorgden ervoor dat als er een nieuwe machine werd geleverd, we een heel proces doorliepen voor ieders veiligheid. Het personeel kreeg een training, zodat ze wisten hoe ze het apparaat moesten gebruiken.

Maar in het grotere plaatje hadden de merken het voor het zeggen. Die konden een bestelling doen en ’m zonder te betalen op het laatste moment veranderen – doe deze toch maar in het geel in plaats van blauw – of halveren. Dan zaten wij als fabriek met een teveel aan producten en een financieel probleem. Een merk kan ook zó naar een ander gaan die het voor een halve cent per stuk goedkoper doet. Ik vond het bizar om te zien dat opdrachtgevers zo veel macht hebben.”

Certificaten

“Er zijn certificaten waarmee je als bedrijf kunt aantonen dat je dingen op een verantwoorde manier doet. Steeds meer merken eisen van fabrieken dat ze dat certificaat hebben, anders is het over en uit met de samenwerking en kun je fluiten naar je centen. Een van de dingen die ons werden gevraagd, was: bepaal wat voor de werknemers buiten het verzamelpunt wordt als er binnen brand uitbreekt.

Ons gebouw stond naast een heel klein weggetje waar maar heel weinig auto’s reden, hooguit af en toe een tuktuk. Dat werd ons meeting-point. Vervolgens moesten we roadblocks kopen om dat meetingpoint af te zetten, zodat niemand zou worden geraakt door een voertuig tijdens de brand-oefening. Daar hebben we met z’n allen om gelachen, want er kwam echt nooit iemand in die straat. Bovendien: elke dag moesten we door een wirwar van auto’s, scooters, motoren en wegwerkzaamheden rijden om op ons werk te komen. Ik denk dat ik op mijn scooter veel meer risico liep om te worden aangereden dan tijdens die brandoefening.”

Niets zonder context

“Dat voorval liet me zien waar het knelt: de oplossingen die nu worden geboden zijn te algemeen. Je kunt een fabriek niet verbeteren zonder rekening te houden met de context, het type klanten, het soort product, het soort medewerker, de plek waar de fabriek staat, de stad, de regio, het land, het politieke systeem en de wetten die daar gelden. Soms werd ik daar zo moe van. Je doet dingen omdat het merk anders stopt met orders plaatsen, maar niet omdat je denkt dat het je bedrijf verantwoordelijker, duurzamer en veiliger maakt. Die certificaten werkten dus helemaal niet. Soms wilde ik hardop roepen: waar hébben we het over?

Het putte me af en toe uit, maar dan praatte ik erover met mijn vriend. Hij begreep altijd wat ik zei, hij kent het land, dus de context. Bij het thuisfront merkte ik dat ik het juist makkelijker vond om mijn werk en struggles uit te leggen aan bijvoorbeeld mijn grootouders, dan aan vrienden van mijn leeftijd. Al die ouderen hadden allemaal wel iemand gekend die in een fabriek werkte, of ze hadden er zelf ooit gewerkt. Mijn generatie draagt enkel de kleding die in die fabrieken wordt gemaakt.”

Nooit moedeloos

“Er waren echt wel momenten dat ik het even niet meer wist. Wat kon ik doen? Maar die frustratie maakte me nooit moedeloos, ik kon ’m goed omzetten naar motivatie. Ik wil ook niet dat mensen denken: arme Kim, absoluut niet. Ik had een fijne baas en  een superteam van wie ik veel leerde. Bovendien bestond het leven in Cambodja voor mij niet alleen uit werk: de familie van mijn man was groot en voelde als een warm bad, en er wonen ook veel Cambodjaanse jongeren die in het buitenland zijn opgegroeid en ook Cambodja wilden leren kennen. We waren in staat om een fijne groep mensen om ons heen te verzamelen.”

Lees ook
Meryem (23) zou uitgehuwelijkt worden, maar besloot te vluchten: ‘Voor mijn familie ben ik dood’

Niet de bad guys

“Hoe meer ik me over dit onderwerp uitlaat, hoe vaker ik de vraag krijg of ik ook op de werkvloer dingen heb gezien die niet door de beugel konden. Ik snap waar die vragen vandaan komen, maar ik voel me er ongemakkelijk bij. Het is niet zo zwart-wit. Vanaf een afstand wordt vaak gedacht: alles wat in kledingfabrieken gebeurt, deugt niet. Fabrieken, ook de mensen die er aan het roer staan, zijn niet de bad guys, ze proberen te overleven.

Er zijn in die industrie echt geen mensen óf alleen maar slecht óf alleen maar goed. Mijn collega’s in het management zijn stuk voor stuk heel empathische, razend intelligente mensen. Ook dat maakte me nederig: ik had de middelen om aan internationale universiteiten te studeren, maar deze mensen, die die privileges niet hebben gehad, waren vaak veel sneller en slimmer in hun werk dan ik. Ik kon veel van ze leren. Ook zij hadden het beste voor met de fabriek en de werknemers en het klimaat.

De vraag die ik mezelf elke dag weer stelde was: wat is de impact van mijn gedrag, van mijn besluiten?”

Dit verhaal komt uit Flair 40. Meer van dit soort verhalen lees je wekelijks in Flair. Wil je een editie (na)bestellen? Dat kan hier.

Tekst: Lisanne van Sadelhoff | Fotografie: Charise Rozenbeek

The post Kim (34) werkt in een modefabriek in Cambodja: ‘Fabrieken zijn niet de bad guys’ appeared first on Flair – Voor jou, over jou.

BRON