Categorieën
RSS feeds

Wat houden we toch van het potlood

Het potlood. Hij bestaat al ruim twee eeuwen en is nog steeds onverminderd populair. Met als toppunt van geluk: een heel scherp puntje. Wat maakt het potlood toch zo onweerstaanbaar?

Op het eerste gezicht ligt het misschien niet meteen voor de hand dat een houten staafje gevuld met grafiet en klei wereldwijd wordt geliefkoosd. Maar luister je naar wat potloodfans te vertellen hebben, dan begin je het te begrijpen.

En fans zijn er genoeg: dat is wel te zien aan de sites en blogs waar liefhebbers vele soorten potloden tot in detail bespreken. En waar ze elkaar toefluisteren welk potlood het allerlekkerst schrijft of tekent, en, want dat is toch onlosmakelijk met het potlood verbonden, welke gum het schoonst gumt en welke puntenslijper het scherpst slijpt.

Of welk mes: de Amerikaan David Rees slijpt sinds twee jaar met succes handmatig potloden – met een mes dus. Stuur je potlood naar New York en je krijgt ’m vlijmscherp teruggestuurd in een kokertje, met het slijpsel erbij. In zijn boek How to sharpen pencils zet hij zijn ambacht op humorvolle wijze uiteen.

Ook zijn er op internet fraaie filmpjes te vinden waar potloodpuntjes als raceauto’s aan je voorbij vliegen, waar kinderhandjes het papier bekrassen – met het geluid van swingend gekras als soundtrack – en er is een clip van de Australische folkband Hudson, waarin kleurpotloden een perfecte choreografie uitvoeren.

Gum in de hand

De Vlaamse (kinderboeken)schrijver, dichter en tekenaar Bart Moeyaert is een fervent potloodliefhebber en bezit een, min of meer toevallig ontstane, verzameling van circa zeshonderd potloden – waaronder een prachtig handbeschilderd exemplaar van illustrator Marit Törnqvist. Hij weet zijn potloodliefde mooi te verwoorden in zijn boekje 56 kilometer:

‘Het potlood is een mooie en vriendelijke uitvinding. Van het potlood mag ik altijd kiezen. Ga ik schrijven, ga ik tekenen? Doe ik het hard of zacht, geslepen of bot, zodat je mijn humeur kunt zien? Doe ik het aarzelend, met de gum in de aanslag, of staat het er voor altijd? Elke dag heb ik tijd om te kiezen. Een gemiddeld potlood is goed voor een lijn van 56 kilometer.’

Je eerst gele Bruynzeel-potlood

Wat maakt een potlood zo onweerstaanbaar?

Misschien allereerst het feit dat het het instrument is waarmee vrijwel iedereen heeft leren schrijven. Hoogstwaarschijnlijk herinner je je nog je eerst gele Bruynzeel-potlood, waar het allemaal mee begon. En die elektrische puntenslijper, vastgeschroefd aan het bureau van de juf, waarna je voorzichtig naar je tafeltje terugkeerde: een potlood laten vallen was (en is) geen goed idee omdat het staafje binnenin kan breken. En niets zo vervelend als een versgeslepen punt die er meteen weer afvalt.

Daarnaast wordt het potlood alom geroemd om z’n eenvoud, z’n lage prijs (zelfs bijzondere vintage potloden zijn goed te betalen) en z’n geur (cederhout met grafiet, is er iets lekkerders dan dat?).

Een potlood laat je bovendien nooit in de steek: bij vrieskou blijft-ie het doen (in tegenstelling tot een balpen), je kunt er op een verticale ondergrond mee schrijven (op een muur bijvoorbeeld, tijdens het klussen) en zelfs in de ruimte werkt-ie (wat je van een balpen niet kunt zeggen: door de gewichtloosheid loopt de inkt niet naar beneden).

‘Neem altijd een potlood mee’

Potloden zijn bovendien leuk om te verzamelen: over de hele wereld makkelijk verkrijgbaar en betaalbaar.

Ook mooi: een potlood is tweeslachtig. Je kunt er immers mee tekenen, maar óók mee schrijven.

Sterker nog, er zijn wereldberoemde schrijvers die niets anders wilden dan schrijven met zo’n houten vriend. Roald Dahl? Had altijd precies zes gele potloden in een pot bij de hand – niet meer, niet minder. Lewis Caroll? Schreef Alice in Wonderland met een potlood. Ernest Hemingway? Beweerde dat een werkdag pas geslaagd was als hij zeven potloden had opgeschreven. Vladimir Nabokov? Schreef alles wat hij publiceerde met een potlood.

In een boekje met tips voor schrijvers geeft de Canadese schrijfster Margaret Atwood als voornaamste tip: ‘Neem altijd een potlood mee. Want een potlood loopt nooit uit. En: neem er in een vliegtuig twee mee. Want als het een lange vlucht is, mag je niets scherps meenemen om je punt mee te slijpen.’

En over Edison ten slotte, geen schrijver maar wel uitvinder, gaat het verhaal dat-ie alleen maar wilde schrijven met een potlood van ongeveer twaalf centimeter lang. Hij kreeg zelfs een fabriek zover om exclusief voor hem korte potloodjes te produceren, die hij dan ook meteen met honderden tegelijk inkocht.

Een potlood is voor durfals

Behalve dat het potlood fijn materiaal is, staat het voor Bart Moeyaert ook symbool voor ‘iemand die durft’.

Waarom? “Toen ik stadsdichter was van Antwerpen, merkte ik dat er mensen waren die het potlood materiaal voor de lafaard vonden,” antwoordt Moeyaert. “Het potlood was volgens hen niet duidelijk genoeg. Niet gedurfd genoeg. Dat vond ik zo’n rare omgekeerde gedachte: het is helemaal geen materiaal van de lafaard, maar juist materiaal van de durver! Met het potlood zeg je: ik durf fouten te maken, ik durf te twijfelen, ik durf te laten zien dat het nog niet zeker is.”

Naast het potlood van Marit Törnqvist, heeft hij nog een dierbaar pakketje in z’n verzameling: “Al sinds ik begin twintig was, ga ik naar de kinderboekenbeurs in Bologna. En daar is een prachtige cartoleria, waarvan de eigenaar me na een paar jaar begon te herkennen. Op een gegeven moment zei hij: ‘Ik heb nog iets voor je waar je waarschijnlijk wel van zult houden. En hij haalde een doosje van acht Faber-Castell-potloden tevoorschijn uit de jaren vijftig, in de originele verpakking. Ik stierf bijna. Fantastisch!”

Regenboog aan kleuren

Wandel je een kantoorboekhandel binnen, of liever nog een zaak voor kunstenaarsbenodigdheden, dan word je begroet door een regenboog aan kleurpotloden. En wat zo mooi is, op vrijwel elke doos van vrijwel elk potloodmerk staan de trotse woorden: ‘Since 1761’ – of daaromtrent. Een eenvoudig werktuig als een potlood is dus al eeuwen alive and kicking.

Ook mooi: een potlood 2.0 is nog nooit nodig geweest, zo perfect als het potlood al eeuwen is (al bestaat er wel een potlood 1.1: met een gummetje aan de top). Over wie nu precies het potlood heeft uitgevonden, zijn de meningen overigens verdeeld.

Feit is wel dat er halverwege de zestiende eeuw een fikse storm over het Engelse Cumberland raasde, waarbij een dikke boom werd omgeblazen die onder z’n wortels een kleine grafietmijn herbergde. Grafiet bleek een prima schrijfmiddel: herders gebruikten het om hun schapen mee te merken en ook hout werd ermee beschreven. In 1761 wist de Duitser Kaspar Faber een belangrijke verbetering aan te brengen: door een mengsel van grafiet, zwavel en hars werd een strakkere lijn mogelijk dan met alleen zuivere grafiet. De Franse Nicolas-Jacques Conté ten slotte, wordt vaak als de uitvinder van het potlood gezien: hij mengde grafiet met klei en bakte dat mengsel in een kalkoven – in 1795 verkreeg hij op deze procedure het Franse patent. Daarna, in 1812, volgde de eerste potloodfabriek in de Verenigde Staten.

Je potlood als verlengstuk

In zijn Frans Kellendonklezing gebruikte Bart Moeyaert het potlood ook, als metafoor: “Wie met potlood schrijft, beseft dat hij al veel weet, maar ook veel nog niet. Hij durft zichzelf te herformuleren, niet één keer, maar voortdurend. Hij houdt van het zoeken naar de juiste lijn, en ervaart het potlood als het verlengstuk van zijn hand. Hij probeert steeds opnieuw de waarheid te zien en te herzien. De feiten kunnen op elk moment worden bijgestuurd, omdat er altijd iets kan gebeuren wat nieuw licht werpt op de zaak.”

Wij zijn om. Leve het potlood.

HB, 2B, 4H: hoe zat het ook alweer?

Op de meeste potloden staat een code die verwijst naar de hardheid van de vulling, in 1889 bedacht door de Duitser Friedrich von Hardtmuth.

H staat voor hard (hart in het Duits), F staat voor fijn (fein in het Duits) en B staat voor zacht, door een grotere hoeveelheid grafiet (blei in het Duits).
Cijfers geven de gradaties aan: zo is 9B het zachtst (veel grafiet en weinig klei) en 9H het hardst.
HB komt het meest voor: het standaard kantoor- en schoolpotlood, precies tussen hard en zacht in.

Volg onze training Paper Love

Wil je ook creatief aan de slag? Flow-crafters Lisa Manuels (Elle Aime) bedacht samen met Erika Harberts (Mikodesign) acht projecten om met het papier uit het Flow Book for Paper Lovers aan de slag te gaan, zoals een mini-schrift en een opbergmapje. In acht video’s krijg je stap voor stap uitgelegd hoe je deze paper goodies maakt. Je kunt de training in eigen tempo volgen, in je ééntje, of samen met anderen tijdens een craftnight of crafternoon. Meer weten? Hier vertellen we je er alles over, en krijg je een kijkje in de training.

Meer lezen

Een online training over papier? Zo kwam Paper Love tot stand.
De magie van creativiteit: dit kan het je brengen.
Waarom we zo houden van papier.

Tekst Caroline Buijs  Fotografie Danique van Kesteren

BRON